|
Een kleine mier rende in het rond en riep ik heb het zo druk
ik heb het zo druk en iedereen was daar diep van onder de indruk.
Tot op een dag een kleine kever vroeg waar de mier het zo druk mee had. Van
schrik stond de mier stil en dacht na. Eigenlijk wist hij het niet. Hij wist
alleen dat hij het heel druk had en de hele dag moest rennen.
Misschien kun je iets anders zeggen, zei de kleine kever, dan word je niet
zo moe.
Dat is waar, dacht de mier.
Ik ben vrij, zei de mier.
Vervolgens liep hij een stuk langzamer.
Verheugd herhaalde hij: ik ben vrij
en liep naar een lekkere malse groene grasspriet om een slokje te nemen van
de dauwdruppel die daar aan hing. Hij hoefde niets hij was vrij.
Als hij wilde kon hij helpen met het mierennest, maar daar waren al genoeg
mieren bezig. Hij kon ook helpen met het verzamelen van eten, maar ook daar
zou hij meer in de weg lopen dan dat hij iets kon doen.
Waarom had hij altijd geroepen: Ik heb het zo druk?
Hij had het zijn vader ook altijd horen zeggen. Je was geen goede mier als
je niet heel druk had.
Dus nu was hij geen goede mier, nu hij zo rustig op zijn grasspriet zat en
naar de andere rennende mieren keek. Toch voelde het wel goed. Hij had een
mooi overzicht over de hele mierenfamilie en kon alles zien en bekijken.
Opeens zag hij dat een kleine mier verpletterd dreigde te worden door een
grote stapel suikerkorrels. De kleine mier had een klein suikerkorreltje
gepakt van de onderkant van de berg, waardoor de hele berg begon te
wankelen. Doordat iedereen het zo druk had, zag niemand wat er gebeurde.
Onze mier klom snel naar beneden en rende naar de kleine mier toe. Net op
tijd kon hij de grote stapel suikerkorrels tegenhouden.
Het kleine miertje had niet eens in de gaten dat hij in gevaar was. Onze
mier aaide hem eens over zijn bol en bracht hem naar een veilige speelplek.
Zelf ging hij weer naar zijn plek op de grasspriet. Dat werd zijn vaste
plek. Het was een fijne plek waar hij alles kon overzien.
Vanaf zijn grasspriet keek hij wat er werd gedaan en wat er gedaan moest
worden. Alle mieren kwamen graag even langs de grasspriet lopen. Hij had
iedereen wel iets te vertellen.
De mier zei nog steeds heel graag: ik ben vrij en genoot dan van dat vrije
gevoel op zijn wiegende grasspriet.
|