|
Er was eens een kikker die niet kwaakte maar kwakte. Als het
hele kikkerkoor aan het zingen was, luisterde hij aandachtig. En achter het
hoge riet probeerde hij ook een mooie volle kwaak. Hij zoog zijn beide
wangen vol met lucht, maar steeds kwam hij niet verder dan een kwak.
Op een dag bedacht hij dat er een heel ander geluid in hem zat dan een
kwaak. Maar welk geluid, dat wist hij niet. Er waren toch ook andere dieren
met andere geluiden? Hij besloot op pad te gaan en het te gaan onderzoeken.
Als eerste kwam hij een koe tegen. Wat een prachtig vol geluid maakte die:
Boeoeoeoeoeo.
De kikker zoog zijn wangen vol lucht en riep: kwoeoeoek.
De koe maakte een luchtsprong van schrik. Wat zat daar voor een raar beest
naast zijn hoeven? Maar voor hij goed kon kijken, was de kikker beschaamd
weggesprongen. Dat was zijn geluid niet.
Het volgende beest dat hij tegen kwam was een geit. Die had een heel apart
geluid: bè-è-è-èèè.
De kikker zoog zijn wangen vol lucht en riep: kwè-è-è-èèèk.
De geit verslikte zich van schrik in een blaadje. Toen hij uitgehoest was,
zag hij geen ander beest in zijn buurt, want de kikker was al weer
verdwenen. Dat was ook niet helemaal zijn geluid.
Hij zag een paar kippen lopen. Hij hoorde ze luid tokken: tòòòk-tòk-tòk.
De kikker zoog zijn wangen vol en riep: kwòòòk-kwòk-kwòk.
De kippen kakelden van schrik door elkaar en toen ze kippig omkeken, was de
kikker alweer onderweg naar het volgende beest.
Hij kwam bij een sloot met eenden. Die kwekten er flink op los. Dit moet
lukken dacht de kikker.
Hij zoog zijn wangen vol en Kwek-kwek-kwek.
Het lukte! Hij had gewoon het geluid van een eend in zich. Tevreden woonde
hij een poosje in de sloot met de eenden. Hij kwekte er met de eenden de
hele dag flink op los.
Maar na een poosje werd hij het gekwek wel een beetje zat. Hij kreeg er een
schorre keel van en hij miste zijn eigen kwak en het gekwaak van de andere
kikkers.
Hij besloot terug te gaan naar zijn kikkerfamilie.
Toen hij bijna bij de kikkersloot aankwam, hoorde hij het koor al van verre.
Het kikkerconcert galmde hem tegemoet. Hij was zo blij dat hij vanuit de
verte antwoordde met een kwoeoeoek, een kwè-è-è-èèèk, een kwòòòk-kwòk-kwòk,
een kwek-kwek-kwek en als laatste een galmende kwaak. Van dat laatste schrok
hij heel erg. Hij probeerde het nog eens. Weer klonk er een zeer welluidende
kwaak.
Het hele kikkerkoor was er stil van. De dirigent was heel enthousiast over
al die nieuwe geluiden.
De kikker mocht voortaan als solo zanger al zijn geluiden maken, maar het
meest trots was hij toch wel op zijn mooie volle kwaak.
|