|
Het meisje dat haar ogen dicht hield.
Midden in de winter werd een meisje geboren. Buiten was het ijzig koud en
alle bomen tekenden zich kaal en somber af tegen de grijze lucht.
De moeder van het meisje was heel moe van de bevalling en viel meteen in een
diepe slaap.
Daardoor was er niemand die het kleine meisje kon vertellen van de liefde en
de schoonheid van de seizoenen.
Het meisje keek om zich heen en schrok van de kou en de grauwe, grijze
kleuren. Ze kwam net uit een warme roze buik en wat ze zag van de wereld,
viel haar erg tegen. Van schrik deed ze haar ogen dicht en besloot ze niet
meer open te doen.
Toen het bijna lente werd, wilde de moeder met het meisje naar buiten. Maar
het meisje deed haar ogen niet open. Wat de moeder ook probeerde. Ze
hield haar ogen stijf dicht. De moeder durfde haar nu niet mee naar buiten
te nemen, omdat ze bang was dat ze zou struikelen. Het meisje bleef in het
huisje met de luiken en de deuren dicht.
Buiten riepen de vogeltjes:
Meisje, meisje doe je ogen open, want het is zo mooi,
kijk eens naar de eerste krokusjes in de dooi.
Maar het meisje kon het niet horen, want ze zat in het huisje en hield haar
ogen dicht. Aan de binnenkant van haar ogen zag ze alleen maar een grijze,
grauwe wereld met kale bomen.
De lente zette door en het werd warmer buiten. Bomen kregen bloesem en hun
eerste blaadjes. Vogels bouwden hun nestjes en kregen kleine vogeltjes, die
voorzichtig leerden vliegen. Eenden zwommen met hele slierten kuikentjes
achter zich aan door de sloten
Weer riepen de vogeltjes:
Meisje, meisje doe je ogen open, want het is zo mooi,
kijk eens naar de bomen met hun mooie bloesemtooi.
Maar het meisje bleef in haar huisje en hield haar ogen dicht
Buiten werd het warmer en warmer. De bloemen geurden en kleurden, dat het
een lieve lust was. Bijen zoemden om de bloemen heen en snoepten van de
honing. Iedereen zocht het water op om te spelen en zich te verkoelen.
Vogels zongen het hoogste lied en riepen naar het meisje:
Meisje meisje doe je ogen open, want het is zo mooi,
de bloemen, het gras en het gele hooi.
In de herfst verkleurden de bomen en het bos werd een zee van rood, geel en
oranje. Alle dieren verzamelden vruchten en noten voor de winter en genoten
van de laatste warme zonnestralen. Het meisje zag er niets van. Ze dacht nog
steeds dat de wereld grauw, grijs en koud was.
Zelfs toen de vogels zongen:
Meisje, meisje doe je ogen open, want het is zo mooi,
kijk eens naar de bomen in hun mooie herfsttooi.
De moeder werd er verdrietig van. Op een dag toen het weer winter werd, liep
ze buiten en zag ze een klein, verkleumd vogeltje. Het zat helemaal verstopt
onder de struiken. Het vogeltje was de andere vogels die naar het zuiden
vlogen kwijtgeraakt en wist niet waar het heen moest in de kou. De moeder
nam het mee naar binnen en gaf het aan het meisje om voor te zorgen.
Het meisje hield het vogeltje in haar hand en voelde hoe koud en verdrietig
het was. Ze maakte het lekker warm met haar beide handjes erom heen.
Ze begon te praten tegen het vogeltje over de koude, grijze, grauwe wereld.
Het vogeltje kon beter in het huisje blijven, zei het meisje; net als zij.
Het vogeltje werd lekker warm in de handen van het meisje en genoot van het
warme gezellige vuur dat in het huisje brandde. Hij luisterde naar wat het
meisje hem vertelde en was verbaasd. De wereld was helemaal niet grauw en
grijs.
Hij begon te vertellen van de lente, de zomer en de herfst. Van alle mooie
dingen die er dan te zien en te beleven zijn. Het meisje luisterde met
verbazing. Door alle verhalen van het vogeltje werd ze nieuwsgierig naar al
die kleuren.
Toen het lente werd, kreeg het vogeltje de kriebels. Hij wilde naar buiten
om te genieten van de eerste zonnestralen en de eerste bloemen die hun
kopjes boven de grond steken.
Ga met me mee, zei het vogeltje, maar het meisje durfde haar ogen nog niet
open te doen. Ze was bang om teleurgesteld te worden.
Het vogeltje zong haar toe:
Meisje doe je deurtje open
en ga in de eerste zonnestralen lopen.
En het meisje deed dat. Ze opende haar deurtje en voelde de eerst warme
zonnestralen op haar huid. Dat voelde heel aangenaam. Ze hoorde de vogels
zingen naar elkaar.Door de warmte en de mooie geluiden, durfde ze haar ogen
open te doen. Ze keek en werd helemaal blij. Daarna heeft ze haar ogen nooit
meer gesloten voor alle mooie dingen.
|